| OPEN BRIEF |
|
|
Hieronder publiceren wij de Open Brief die de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden (yayasan Komite Utang Kehormatan Belanda) aan de Nederlandse politieke partijen heeft gezonden.
Aan de besturen en parlementsfracties van de Nederlandse politieke partijen.
Heemskerk 21 mei 2010.
Geachte dames en heren, De reden waarom wij ons tot u richten is de volgende. Binnenkort zal er een nieuwe regering in Nederland worden gevormd en wij menen dat in het program van die regering plaats moet worden ingeruimd voor maatregelen die leiden tot een volledige breuk met het koloniale verleden van het land. De tijd daarvoor is meer dan rijp. Het is al ruim zestig jaar geleden dat er na driehonderdvijftig jaar een eind kwam aan de Nederlandse bezetting van Indonesië. Laat ons er aan herinneren, dat de verovering van Indonesië begon met de komst van de `opperkoopman’ van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) Jan Pietersz. Coen en het plat branden van de stad Jakarta. Het was ook deze VOC, die gebruikmakend van slavernij en diefstal van grond, producten liet verbouwen die op de Amsterdamse markt het meeste geld opbrachten. Nadien hebben vele generaties Nederlanders al dan niet in dienst van de VOC dat werk voortgezet. Zij vernietigden de inheemse cultuur, roofden de cultuurschatten van het land, dwongen de bevolking `blanke godsdiensten’ te belijden, moordden een groot deel van de bevolking van de Molukken uit tijdens de zogenaamde hongi-tochten, dwongen het volk tot herendiensten en het betalen van belasting, legden poenale sancties op, voerden het Cultuurstel van Van der Bosch in waardoor de landbouw van de bevolking op Java werd vernietigd met als gevolg dat er hongersnoden ontstonden en honderdduizenden mensen stierven; ze roofden alle grondstoffen van het land en dwongen grote groepen mensen tot transmigratie naar verre gebieden waar als gevolg van de erbarmelijke sanitaire toestanden talrijke dodelijke ziekten uitbraken. Tegelijkertijd was er geen of nauwelijks onderwijs en gezondheidszorg voor de Indonesische bevolking. Er waren geen politieke rechten, wel was er gevangenisstraf en opsluiting in concentratiekampen (o.a. in Boven Digoel op Nieuw Guinea – Irian) voor Indonesiërs die opkwamen voor vrijheid van het volk en externering van Nederlanders die zich met het volk solidair verklaarden. Er bestond een schijndemocratische Volksraad die totaal geen macht bezat. Nederland liet het Indonesische volk volkomen ongewapend en weerloos achter tegenover het Japanse leger toen dat in 1942 het land bezette. Tenslotte was er van 1945 tot 1949 de oorlog van Nederland tegen Indonesië om te verhinderen dat het land zijn onafhankelijkheid, die in augustus 1945 was uitgeroepen, ook tot werkelijkheid kon maken. Het was niet de eerste oorlog van Nederland in Indonesië. Er zijn heel wat oorlogen gevoerd en militaire expedities ondernomen op Sumatra, Java en in de zogenaamde Buitengewesten om het volk onder `geregeld bestuur’ te brengen d.w.z. om slavernij in te voeren en belastingplicht op te leggen. Met dit koloniale verleden heeft Nederland nog steeds niet gebroken. Nog onlangs sprak de nu demissionaire premier met heimwee over de VOC-mentaliteit. Nog altijd staan er standbeelden van massa-moordenaars in Nederlandse steden. Denk aan het beeld van Van Heutsz – de slachter van Atjeh- , aan de Velperweg in Arnhem, tijdens wiens regiem 70.000 Indonesiërs de dood vonden als gevolg van verzet tegen de Nederlandse bezetters. Denk aan het nooit vervolgen van kapitein Westerling en zijn collega’s, die in Zuid-Sulawesi tienduizenden onschuldige mensen hebben vermoord en hebben laten vermoorden. Denk ook aan al die straten in Nederland die naar Indonesische eilanden zijn genoemd of naar mannen die een `belangrijke functie’ vervulden bij de onderdrukking van het Indonesische volk. Waarom? Omdat ze doen denken aan een `roemrijk’ verleden! Denk aan de verering van dat verleden in de geschiedenisboeken die in het onderwijs gebruikt worden. Denk aan het feit dat geen enkele Nederlandse regering excuus heeft willen aanbieden aan het Indonesische volk voor al het onrecht dat het is aangedaan. Denk aan de recente weigering van de nu demissionaire minister van Buitenlandse zaken om excuus aan te bieden aan de weduwen van de 431 mannen die vermoord werden door Nederlandse militairen in het Javaanse dorp Rawagede: omdat het al zo lang geleden is en hij nog niet geboren was in 1947 toen het gebeurde. Het is een erezaak voor het Nederlandse volk om een eind te maken aan het koesteren van bewondering en eerbied voor het koloniale verleden dat gekenmerkt werd door roof en massamoord. In het bijzonder zal in alle sectoren van het onderwijs duidelijk moeten worden gemaakt hoe misdadig het kolonialisme is geweest tegenover de onderdrukte volken in Indonesië en Latijns Amerika. De eerste daad zou moeten zijn het ongedaan maken van alle besluiten van de Nederlandse regeringen en het parlement die in het verleden zijn genomen om degenen die oorlogsmisdaden hebben begaan in Indonesië niet te vervolgen. Alsnog zullen de schuldigen voor de rechter moeten worden gebracht. Voor dergelijke misdaden kan geen verjaring bestaan. Tevens zou excuus en financiële compensatie moeten worden aangeboden aan de nabestaanden van de slachtoffers van het Nederlandse optreden in Indonesië in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. In het nieuwe regeringsprogram zouden daartoe concrete maatregelen moeten worden geformuleerd.
Namens het bestuur van yayasan Komite Utang Kehormatan Belanda Hoogachtend,
w.g.J.M.Pondaag voorzitter
|

